Contact:

Joost De Stoppeleir – Lange Violettestraat 285, 9000 Gent
09/224 20 04 – joost@astria.be

Geschiedenis

Lange Violettestraat heeft lange geschiedenis

Tussen het Sint-Annaplein en het Hollainhof lig dekenij De Kerfstok, beter bekend als dekenij Lange Violettestraat. Die kerfstok waar de dekenij haar officiële naam aan ontleent, draag het jaartal 1771 en archiefstukken uit de tijd van de Franse bezetting maken eveneens melding van “la doyenné des Violettes” waardoor de gebuurte meteen de titel van één der oudste dekenijen van de stad mag dragen.

De kerfstok is niet alleen het symbool dat de dekenij letterlijk in haar vaandel draagt want de antieke, of beter authentieke stok, bestaat nog altijd en wordt angstvallig bewaard in de archiefkast. In vele verenigingen was het gebruik van zo een kerfstok ingeburgerd: bij nalatigheden werd in de stok een kerf gemaakt die er na vereffening van schuld simpelweg werd uitgesneden.

De andere dekenijhistorie is het verhaal van “de vliegende man”. Daarvoor moeten we terug naar het einde van de 19de eeuw toen de Sint-Annakerk in opbouw was en volop in de steigers stond. Een fotograaf die daar in de buurt woonde, kwam op het idee om als stunt met een paar zelfgebouwde vleugels van de steigers te “vliegen”. De Gentse Icarus heeft zijn ervaringen echter nooit zelf kunnen navertellen.
In 1892 werd de Sint-Annakerk ingewijd en bij die gelegenheid kwam er opnieuw leven in het gebuurte- en verenigingsleven. De baljuw van toen werkte mee aan de basis voor de oprichting van de opperdekenij in 1902. Bij de officiële stichting van de opperdekenij in 1903 werd de dekenin verkozen als eerste Opperdekenin.

Tijdens het interbellum, de periode tussen de twee Wereldoorlogen, waren folkloristische manifestaties ook hier courant en bleven optochten allerhande populair tot 1940. Vanaf 1948 mag de dekenij zich Koninklijk noemen en andermaal zou een “Kerfstokdeken” een belangrijke rol spelen in een stukje Gentse geschiedenis. De deken was de initiatiefnemer voor de oprichting van de vermaande “Internationale Jaarbeurs van Vlaanderen”.

Uiteraard wordt een flink stuk van het dekenijterritorium in beslag genomen door “het klein begijnhof” terwijl enkele meters voorbij de begijnhofmuur nog altijd het laatste restant van de voormalige cavaleriekazerne staat.