Elke maand vertellen we het verhaal van een eredeken of eredekenin.

Lieve De Rijck-Vermeulen ging bij hen op bezoek en schreef hun verhaal neer.

Deze maand het verhaal van ere-dekenin Angèle Deweerdt, het pittige dametje van Heilig Kerst.

Toen ik haar vroeg wat de mooiste herinnering was aan haar dekenijleven verscheen er een glimlach op haar gelaat…” De mooiste herinnering is het feit dat ik de kans kreeg om dekenin te worden in het Heilig Kerst!”

En we waren vertrokken voor een leuke babbel op het zonnig appartementje op de Tolhuislaan. Na het overlijden van haar echtgenoot heeft ze haar groot huis, waar ze 64 jaar woonde, verkocht om haar te settelen in een knus verblijf in haar vertrouwde buurt.

Ze is in Oostakker geboren, boven de bakkerij. Haar ouders woonden daar en zoals dat vroeger de gewoonte was beviel de toekomstige moeder “thuis”.

Angèleke groeide op in een warm nest. Na haar schooltijd begon ze te werken in de metaalindustrie bij Vinckier waar ze ook de man van haar leven leerde kennen. Ze huwden in 1952 en kregen een zoon.

Haar sociale bewogenheid bracht haar in contact met Noorken van het gekende huis “Het wit Lam”. Als zakenvrouw had die veel contact met de buurt en kende zij het wel en wee van elke bewoner in de straat. Samen waren ze begaan met de buurt en zo richtten ze in 1977 een actiegroep op voor het behoud van de “Scheepvaartcultuur” die in hun wijk een vestiging had.

In de wijk was buurtschap de rode draad door het dagelijkse leven. Onvermijdelijk kwam ze in contact met de dekenijwerking en het was Luc Vertonghe, de befaamde architect die zijn burelen had in de straat, die haar aanspoorde om dekenin te worden van het Heilig Kerst. Angèleke was nog niet eens lid van de dekenij, maar door haar opvallende gedrevenheid in de buurtwerking werd ze verkozen tot dekenin.

Na haar officiële aanstelling door Opperdeken Gerard Mortier begon ze zich met enthousiasme in te werken in het dekenijleven.

Nu er een groot onderscheid gemaakt wordt tussen de werking van sociale en commerciële dekenijen maakt ze de opmerking dat in 1989, het jaar van haar aanstelling, de dekenij Heilig Kerst een commerciële dekenij was. Alle leden waren handelaars en het was een aangename levendige buurt.

De dekenijfeesten waren elk jaar het hoogtepunt van de werking met overvolle braderijstraten en een goede verstandhouding. De enige problemen die ze zich herinnert waren bij het buitenkomen van de standen. In de loop der jaren was er hier en daar al een zaak van migranten en die konden de kronkel niet vatten dat je lid moest zijn van de dekenij om te mogen buitenkomen.

Angèleke was vijftien jaar dekenin en toen Noorke, haar beste vriendin en ook stuwende kracht in hun samenwerking, het niet meer zag zitten is ook zij gestopt. Het Heilig Kerst kreeg een deken Boudewijn en veel later kwam er een dekenin Krista bij, maar dat heeft niet lang geduurd.

Nu is Angèleke een fiere ere-dekenin die met aandacht en wijsheid de evolutie van de dekenijwerking volgt.

Haar woorden klinken zo echt wanneer ze zegt “het was een mooie tijd”

Dankjewel Angèleke!

Elke maand vertellen we het verhaal van een eredeken of eredekenin.

Lieve De Rijck-Vermeulen ging bij hen op bezoek en schreef hun verhaal neer.

Deze maand het verhaal van onze ere-opperdeken Daniël Termont.

Het was een natte regenachtige dag waarop ik de ere-burgemeester Daniël Termont zou ontmoeten voor een gesprek over zijn samenwerking met de dekenijen en ondanks het slechte weer wachtte hij mij op met een brede glimlach die hem zo sympathiek maakt.

Al enkele dagen had ik me afgevraagd of ik dit wel zou kunnen, praten met een burgervader is niet voor iedereen weggelegd. Al rap ondervond ik dat ik me nodeloos zorgen had gemaakt en dat onze babbel zo vlot verliep omdat hij een gewone warme man is.

Over dekenijen spreken was geen moeilijke opdracht want na eerst Schepen van Feestelijkheden en dekenijen werd hij daarna Burgemeester van Gent. In beide ambten was hij nauw begaan met het dekenijleven.

Naast die twee bevoegdheden is hij ook opgegroeid in een dekenijmilieu want zijn moeder was tijdens zijn kinderjaren dekenin van dekenij ’t Zandeken, gesitueerd in de deelgemeente Mariakerke.

En zo vertelt hij over zijn ouders die een zaak hadden in tweedehandsmeubels. Zijn moeder, die dekenin werd beschrijft hij als een sterke, actieve, verstandige en commerciële vrouw. Haar taak als dekenin bestond er in de goede verstandhouding te bevorderen tussen de zelfstandigen maar daarnaast ook oog te hebben voor  zieken, bejaarden en kinderen. Hij herinnert zich nog de jaarlijkse Zandekensfeesten met een grote rommelmarkt en vele dagen van groot plezier. Heel wat Gentenaren kwamen er naar toe om een pintje te drinken, een dansje te doen en een babbeltje te slaan.

Het was ook zijn moeder die hem vertrouwd maakte met de socialistische partij en trots is op de mooie weg die haar zoon in deze partij heeft afgelegd.

Zijn ambt als schepen van Feestelijkheden en dekenijen bracht hem nauw samen met het dekenijleven. Hij was oprecht betrokken bij hun werking en de dekenijen zagen hem graag komen omdat hij de warmte uitstraalde die zij nodig hadden. Er waaide een nieuwe wind van herkenning en waardering en dat deed de dekenijen goed. Het was de stevige handdruk, het hartelijk woordje, het luisterend oor en de guitige kwinkslag die de mensen blij maakten.

Toen ik hem vroeg waarom dekenijen besturen altijd gekoppeld wordt aan Feestelijkheden werd het mij duidelijk : “Beiden zijn er op gericht om mensen samen te brengen”!

Toen werd hij Burgemeester van de stad die hem zo dierbaar is. Hij bleef de dekenijen een warm hart toedragen. Hij sleutelde aan de subsidies om hen wat ruimte te geven in hun werking en dat werd enorm gewaardeerd. Zoveel hij kon was hij aanwezig op dekenijfeesten en waar hij kwam sprak hij een woordje van waardering, heel ernstig maar altijd met een guitige kwinkslag. Hij spoorde hen aan om mensen te blijven samenbrengen, door te zetten en moed te houden ook in momenten dat het moeilijker ging.

Het oprichten van “Buurtwerking” en “Wijk aan zet” werd door de dekenijen niet erg gewaardeerd. Waarom? Was dit niet datgene wat zij al jaren deden in hun buurt? Als Burgemeester trachtte hij uit te leggen dat het de bedoeling was om ook op die manier nog meer mensen samen te brengen en dat dekenijen zich daarin moeten vinden en aansluiten en meewerken en zich op die manier ook gesteund voelen in hun werking. De hoop was dat ze “samen” zouden werken, wat in werkelijkheid niet zo gemakkelijk was maar in de loop van tijd misschien wel gegroeid is.

Op de vraag hoe hij de toekomst van de dekenijen zag sprak hij over tijdsevolutie, vernieuwing in beleid voeren, jonge mensen en vooral jonge gezinnen aantrekken om deel uit te maken van deze grote dekenijfamilie. Hij sprak ook over een vereniging met twee totaal verschillende groepen : commerciële en sociale dekenijen onder één noemer. Niet eenvoudig om aan beiden de nodige aandacht te besteden zodat ze zich betrokken voelen bij de werking van de Opperdekenij. Nu er jongere leden in de Opperdekenij zijn bijgekomen is er een nieuwe dynamiek, moeten ze zich toeleggen op nieuwe projecten en nieuwe uitdagingen. Het nieuwe bestuur heeft alles om de dekenijen te laten groeien en te laten opvallen, zowel commerciële als sociale!

Het was geen probleem om nog uren door te gaan maar er was een voldaan gevoel. Er zijn mooie woorden gesproken en veel herinneringen opgehaald. Toen ik wegging was het voor mij duidelijk dat de rode draad doorheen ons gesprek “het samenbrengen van mensen” was. Wat een mooi ideaal.

Dank u.

ienisteren en spoorde hen aan om zich te blijven verenigen, u gaf hoop, kracht en moed. Het is uw verdienste dat de subsidies werden opgetrokken zodat dekenijen meer slagruimte hadden. U deed dat omdat dekenijen voor u belangrijk waren.

Het was de bedoeling om op die manier jonge mensen te betrekken bij de samenleving en hij wilde op die manier de samenleving in Gent hertekenen.

Om de beeindigen vroeg ik aan mijnheer Termont hoe hij de toekomst zag voor de dekenijen. Hij sprak over tijdsevolutie, de vernieuwing van beleid voeren, de nood aan jonge mensen, het grote gat tussen de commerciële en sociale dekenijen. Een nieuwe dynamiek is nodig met nieuwe projecten, jonge mensen die belangstelling tonen om dit waar te maken. Nu er verjonging is in het bestuur van de Opperdekenij hebben ze alles om de dekenijen te laten groeien en te laten opvallen.

De toekomst zit in het samenbrengen van mensen, de rode draad doorheen ons gesprek!

Elke maand vertellen we het verhaal van een eredeken of eredekenin.

Lieve De Rijck-Vermeulen ging bij hen op bezoek en schreef hun verhaal neer.

We bijten de spits af met Ere-Deken Roger Van Bockstaele.

“ Ik wil wel heel oud worden… ik bedoel “gezond” oud”.  Maar niet té oud zodanig dat ik niet noodgedwongen van iemand anders moet afhangen.

Hij is 99 jaar, geboren in de Willem de Beersteeg vlak bij de Goudstraat, volgde kleuteronderwijs in een schooltje gelegen in het Baudeloopark en lager onderwijs in het Laurentinstituut in de Onderstraat. Daarna koos hij voor beroepsonderwijs met als specialiteit houtbewerking, meer bepaald “schrijnwerkerij” en” trappen maken” om later familieleden in deze branche, op te volgen.

In 1938 had Roger wel een droom. Hij wou graag naar Antwerpen gaan voor een opleiding aan de zeevaartschool voor de Lange Omvaart. Maar zijn vader, die zelf bij de spoorweg actief was, had liever dat zijn zoon mee deed aan een toelatingsexamen bij de NMBS. Ze werfden jaarlijks tien leerjongeren aan die, gedurende drie jaar een opleiding kregen voor ‘mecanicien’. Roger was geslaagd en begon in 1939 aan een opleiding. Eerst praktijk en theorie en daarna ook geschiedenis o.a. van de Spoorwegen..

Deze vorm van opleiding  werd indertijd door Koning Willem I gesteund, vertelt hij me. om na voortdurende scholing in de ‘grote ‘ industrie hogere functies uit te voeren . Na zijn studies, als mekanieker bij de NMBS, moest hij in Brussel een D-cursus volgen om nadien zelf les te kunnen geven. Zowel praktijk en technisch tekenen was zijn opdracht maar ook geschiedenis van de spoorweg, materialenkennis en vakken die eigen waren aan de spoorweg technieken.

Het begin van 1940 met de aanvang van wereldoorlog II, werden alle jongeren (tussen 16 en 17 jaar) naar Frankrijk gestuurd, naar het ‘onbezet’ gebied. Samen met zijn leeftijdsgenoten reden ze per fiets naar Rouen en zo verder naar Cologne (departement Ger) waar ze werden  ondergebracht in een leegstaand kasteel, Chateau  Pomminet genoemd. Roger maakte zich daar nuttig en hielp bij allerlei karweien omdat hij het leuker vond om altijd bezig te zijn.

Na drie maanden Frankrijk (onbezet gebied), werd hij samen met alle jongeren, gerepatrieerd naar België per trein.

Veilig terug thuis heeft hij zijn studies aan de NMBS opnieuw aangevat en verdiende hij het eerste jaar 1 frank per uur, het tweede jaar 2 frank en het derde jaar 3 frank.

Vader werkte aan de spoorweg en moeder was broeknaaister. Zij waren een gewoon gezin,  zonder echte problemen. Honger heeft hij niet gekend. Hij had een broer maar die is reeds lang overleden.

Toen ik hem vroeg hoe hij Tineke leerde kennen kwam hij helemaal op dreef. We hebben elkaar heel jong leren kennen, vertelt hij. Zij was 19 jaar en ik 20 toen we in 1943 huwden We woonden toen in  bij mijn schoonmoeder, want schoonvader (opgeëist) was in Duitsland om er te werken. 

In 1950 beslisten ze om een huisje te kopen met een lening van de spoorweg, en sedert dan woon ik hier. Mijn vader gaf me goede raad en zei:” Je hebt een goed werk, probeer dat te doen tot je 60 jaar”

En in 1984 wou zijn baas – Hoofdingenieur – aan Roger de hoogste bevordering geven die hij ooit zou kunnen krijgen. Hij heeft geweigerd en is op pensioen gegaan. Toen was hij bijna 61 jaar.

Hij  volgde de Oost-Vlaamse Gidsencursus omdat hij nog graag iets om handen had en begon te gidsen in de Stad. Ook werd hij uitgenodigd op de vergaderingen van de dekenij. Toen was Marcella Claus dekenin, zij was alleen want de deken Droesaert was reeds zeven jaar geleden overleden. 

Op de Patersholfeesten in 1985 vroeg een mevrouw hem of hij geen deken wilde worden van het Patershol. Hij wist niet wat hem overkwam. De mevrouw argumenteerde haar vraag en vertelde dat ze onder de indruk was van zijn gedrevenheid en ze had dat opgemerkt in een vergadering waar zij beiden aanwezig waren. De mevrouw in kwestie was Opperdekenin mevrouw Mareen. Haar argument was dat ze had gezien dat hij niet dronk tijdens de patersholfeesten ….

De aanstelling gebeurde door Opperdeken Gerard Mortier en de dekenij evolueerde met ups en downs. “Ik luisterde naar ouderen en ging veel te rade bij Emmanuel Janssens, die ook in mijn straat woonde (zoon van Armand Janssens, architect)  een ‘ancien’  in de dekenij.” 

Het was een echte sociale dekenij en meer dan eens moesten ze hulp bieden aan mensen die het echt moeilijk hadden. Soms betaalden ze begrafenissen, steunden ze ‘Julien den Teen’ omdat hij zorgen nodig had, hebben ze Cornelia begraven die eigenlijk van niemand hulp wilde.

De bestuursploeg werd uitgebreid en ook het aantal leden. Iedereen die lid wilde worden betaalde een vrije bijdrage naar eigen vermogen en kunnen. Het doel was mensen samen te brengen waaruit de nieuwjaarsreceptie groeide, de seniorenmaaltijden, de voorjaarse stadswandeling en in het najaar een busreis, die elk jaar plaats had.

Een tijdje was hij deken zonder dekenin , maar toen kwam Trees erbij. Een gedreven dame met een gouden hart die een echte steun voor Roger betekende.

De fakkel heeft hij doorgegeven maar hij blijft de werking van de dekenij volgen met wijze raad en steun. Er zijn jonge mensen bijgekomen die echt gemotiveerd zijn om het werk verder te zetten.

Wanneer hij zo terugblikt moet hij toegeven : “Dit was de periode van mijn leven”. Hij is verknocht aan Gent en is blij voor wat hij, door zijn dekenschap, voor de stad en het Patershol  heeft  kunnen verwezenlijken.”

Volgende maand het verhaal van ere-opperdeken Daniël Termont